Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het mededingingsrecht zijn moeilijk met elkaar te verenigen. Toch zijn ze nauw met elkaar verbonden. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) geldt het mededingingsrecht namelijk ook voor de landbouwsector. De vraag is daarom welk stelsel voorrang heeft wanneer beide met elkaar botsen. Deze vraag wordt uitgewerkt in het artikel ‘Het Maizena-arrest en de ontkende voorrang van het GLB’ dat ik schreef voor het Tijdschrift voor Agrarisch Recht.
Tot nu toe lijkt het GLB op papier de sterkste positie te hebben. Zo heeft het Hof in het Maizena-arrest geconstateerd dat het doel van vrije en eerlijke concurrentie op de interne markt soms kan botsen met de uitvoering van het GLB. Indien een dergelijk conflict ontstaat, hebben de regels van het GLB voorrang. In latere uitspraken heeft het Hof verder uitgelegd hoe deze voorrang in de praktijk moet worden toegepast. De meest recente verduidelijking hiervan is te vinden in het Franse witlof-arrest. [artikel TvAR]
Ondanks deze rechtspraak blijft de Europese wetgever het mededingingsrecht gebruiken als instrument om de landbouwmarkt te reguleren om zo de doelen van het GLB te bereiken. Dit wordt gedaan door middel van ingewikkelde van het reguliere mededingingsrecht. In de praktijk blijkt deze aanpak niet goed te werken. De afwijkingen zijn voor meerdere uitleg vatbaar en daardoor lastig toe te passen. Dit maakt de landbouwers en andere marktpartijen kopschuw. Het mededingingsrecht heeft namelijk een afschrikwekkend effect: ondernemingen zijn terughoudend om samen te werken uit angst de mededingingsregels te overtreden. In plaats van meer ruimte voor samenwerking te bieden, zoals de Europese wetgever bij herhaling claimt, wordt deze ruimte juist beperkt.
Een oplossing kan zijn om de voorrang van het GLB nadrukkelijker te erkennen. Op dit moment heeft de Europese wetgever GLB doelen geformuleerd die marktpartijen doorgaans alleen kunnen bereiken als zij kunnen aantonen dat dit geen strijd met de mededingingsregels oplevert. Dat lukt alleen maar als zij aan complexe voorwaarden voldoen, terwijl er zelden aan de voorwaarden voldaan kan worden. In plaats daarvan zou de Europese wetgever voor het bereiken van de GLB doelen concrete acties kunnen formuleren die toegestaan zijn, mits die op de voorgeschreven wijze worden verricht. Marktpartijen weten dan dat wanneer zij deze acties correct uitvoeren, zij niet in strijd handelen met de mededingingsregels vanwege de voorrang van het GLB.







